11 augustus 2009

De zon was koud

De schilder zag het:

De zon was koud;

Het geel was koel, veel groen in haar stralen

Haar bol niet rond, maar gedeukt en overal blauwe lijnen.

En vlekken in pink.

Er was een vis en er was een vogel.

De vis keek naar het oosten

de vogel naar de west.

Hun achterlijven verstrikt,

niemand kon zien waar de schubben ophielden

en het verenpak begon.

Ook de schilder niet.

De schilder pakte zijn kwasten

en doopte die in de zon.

Hij keek naar de heuvels en mengde de verf op het doek.

Dit wonderlijk gebeurde:

De lucht werd oranje

en straalde haar warme gloed over de velden.

Blauwe strepen trokken voren in de akker

en een rivier in het dal.

De schilder glimlachte,

Zette zijn hoed op en trok aan zijn gekrulde baard.

Hij zag dat de vogel opvloog,

en de vis in de waterval sprong

Achter de halmen verscheen de goudgele bal,

het land was helderblij verlicht.

26 juni 2009

T-shirt

Jozef: "Er kan nog één T-shirt mee in mijn backpack. "

Maria: "Neem een vrolijke mee, een bedrukte"

Maria kan het 'fronslachende' gezicht dat Jozef dan trekt even niet plaatsen.

Maar schiet dan in de lach om haar paradoxale advies.

17 maart 2009

Eén vijfenveertig een bosje

Het zat al een tijdje in de lucht:

Overal doken mininarcisjes de grond uit,

Het Voorhout was net op tijd klaar met de restauratie om haar krokustapijt in volle glorie te kunnen uitspreiden.

De eerste lammetjes hupsten al weken rond

De hondenliefhebster had geklaagd over het krolse gehuil van katten in haar portiek.

De roffel van de bonte specht klonk regelmatig in Arendsdorp

valk S2 in Mortel had haar eerste ei gelegd

En Frater had een Tjif horen tjaffen.

Dit weekend zaten de eerste gasten op het terras aan de cappuccino.

Gister kon Martha niet langer de vuile spetters op de ramen meer aanzien

Én de beddenlakens wapperden ‘s middags fris in de wind.

Maar vandaag zag ik pront voor de mandarijnen en harde meloenen op het reclamebord:

Raapsteeltjes,

1.45 een bosje.

De stamppot is gemaakt

En het voorjaar is nu echt begonnen.

21 oktober 2008

Limoen met perensap

Op ‘Jeux doux,  van Chavet’:

Limoen met perensap

De hertog van Hispanje,

De grote heer, komt naderbij.

En hij heeft reuze honger

Holle Gijs was niets daarbij.


Limoen met perensap,

Limoen met perensap

Tralie, tralá een roze perzikhap

En wat zal er nog meer daarbij?

Een groene pitjesbrij

In een bak van gelei.


De hertog van Hispanje

Komt in volle draf

De heuvel opgereden

Zijn hoed valt welhaast af


Limoen met perensap

Limoen met perensap

Schenken en draaien

Een bosje grut met vlaaien,

Het lijkt wel wat licht,

Maar het zoete geeft gewicht


De hertog van Hispanje

Hij gaat door de poort

Houdt halt bij de dis

en klimt van zijn hors

hij ziet:


Limoen met perensap

Limoen met perensap

Nee, nu niet wachten

Hij neemt een hap.

Bessen en druiven, eitjes van duiven

Alles gaat op.


De hertog van Hispanje

Is tonnetje rond

Zijn ogen gaan toe

Hij rolt op de grond.


Limoen met perensap.

Limoen met perensap,

Limoen met perensap

Hap hap hap hap!

17 augustus 2008

weelde

Gele bloemen, oranje bloemen, witte bloemen en wat roze

Met spikkels, slippen, streepjes en bollingen

Alles in het helder groen.

Grote, smalle, brede, geveerde blaadjes

Hoog op, bescheiden, fier op de steel

Of laag kruipend over het kronkelpad.

Ogen dwalen, verdwalen, dralen soms,

Niet kiezen kunnen waar te kijken.

Neus subtiel, fragiel verrast

Oren gestreeld door klaterend water.

Bijen en hommels vliegen af en aan.

Zwarte luizen, gestreepte ruspen, een enkele slak

mogen hier en daar delen in de overvloed.

En de jonge poes

maakt atletische sprongetjes over de pollen.

Eén plekje in de zon

Waar twee stoelen staan.

En dat

Gewoon midden in de stad!

29 juli 2008

IJs

Buurvrouw tegen maria:

“Wil je ook wat potjes ijs van mij?

We hebben er zeventig gewonnen in de loterij.”

“ZEVENTIG???”

“Ja, foutje, ze hebben de één voor een zeven aangezien;

de vrieskisten van de hele familie zitten al vol,

dus schroom niet.”

“Nou een dankjewel van de bovenste plank dan, graag!”

Een Marshmallow-Banaan voor Jozef en

Choco-Nuts voor mij.

Hapje?

13 juli 2008

The High Way

Maria leest als elke vooravond de kaart van het gebied. Op de tweede dag gaat de rode streepjeslijn door het gele veld, het groene bos en een langgerekt lichtblauw ovaal. Niet veel stijgen morgen, dat komt later in de week wel, wanneer er ook minder zwarte vierkantjes langs de wandelroute staan. De map kan in Jozefs rugzak.

Zij heeft de door hen af te leggen weg in haar hoofd.

Het wandelen over de afwisselende weggetjes ging prima, de voeten hebben geen blaren opgelopen. De B&B met gastvrije landlady was snel gevonden. Vanavond hebben collega’s hen rijkelijk van pubfood voorzien: zalm en haggis, met cider van de tap en een pint plaatselijk gebrouwen bier. Nu nog een snelle douche en ze kunnen vol vertrouwen gaan slapen; want ook de rustplaats voor morgen is immers geregeld?

Morgen hoeven zij enkel te lopen. De te zware bagage geven ze af, daar wordt voor gezorgd. Wat zij onderweg zullen zien zal een verrassing zijn, wie zij onderweg zullen gaan ontmoeten ook. Alles wijst erop dat het zal mooi worden. En zo zeven dagen.

Het wérd mooi.

Zij zagen de uitbundig blauwe ereprijs langs het pad en ruige bergen zich in meren spiegelen. Zij lachten met Canadese vriendinnen en deden op afgelegen paden haasje over met droogkomische Engelse heren.

De zon kleurde hun gezichten roodbruin, zij bedwongen de aangegeven heuvels en kwamen uiteindelijk uit bij het beloofde monument waarop met witte letters stond dat zij de tocht goed volbracht hadden.

“Soms”, zou Maria later verzuchten, “zou je wensen - ook al hebben we hier een prachtige woning met een eigen tuin, waar fijne gasten langskomen - dat het hele leven één vakantie was.”

27 mei 2008

Duifje m’n duifje

Duifje m’n duifje wat deed je daar toch?

Je zwóm!

Of beter:

Je spatterde klapwiekend met ferme, rustige slagen,

het lijf omhoog duwend bij elke vlinderslag.

Witte druppels in boogstraaltjes achter je aan.

Hoe kwam je nu in die diepe singel terecht?

Had je een duikvlucht gemaakt,

verleid door een flink stuk drijvend friet van mister snack?

Domweg van de trede gestapt bij een woonboot ietsje verderop?

Óf was je zomaar uit de lucht komen vallen?

Je kwam nog best goed vooruit voor een vogel die ik alleen maar kende van het met zijn pootjes op een dakgoot of balkonhek trippelen; en van het fladderen voor de wolken langs.

Ik zag je zoeken naar een plaats waar de aarde niet bewoog.

Een plaats waar je rustig uit kon hijgen zonder bang te zijn te zinken naar een donkergroene modderbodem met halfvergane spatborden en een oude hardloopschoen.

Systematisch ging je te werk,

elke inham van de beschoeiing onderaan de hoge muur van rode bakstenen onderzoekend naar een opstapplaats.

Ik wist dat je die voorlopig niet zou vinden.

Het was nog een heel eind naar de bocht,

Na de bocht zou weer een gracht komen, nog langer dan deze.

En nergens een aflopende berm waar kinderen de eendjes voeren,

of een trap naar een aanlegsteiger.

Hoe lang zou je dit peddelen gaan volhouden?

Als je slim zou zijn zou je omkeren,

langs de laag aan de muur aangebrachte reling zwemmen

en zoeken naar de plank van de woonboot.

Maar dat deed je niet.

Je zwom naar de brug richting Lijnbaan

Iets verder naar het midden van het donkere water.

Het laatste wat ik van je zag

was de witte spiegel onder de veren van je staart.

20 februari 2008

Zaterdag 2

(lees eerst ’zaterdag’, hieronder)

De grootmoeder stond in de lichtgeel betegelde badkamer zonder ramen, zich te wassen.

In de spiegel haar gezicht zonder bril, de nog ongekamde haren met net vrijdag gezet permanent. Ze zag er dankzij het meedoen aan ‘de ochtendgymnastiek’ nog goed uit voor haar leeftijd. Op het glazen plankje stond links het plastic doosje met water voor het gebit en rechts het glas, met twee benen kammetjes er in.

Klos, klos, klos, “ kinderschoenen op de trap.

Een glimlach kwam op haar gezicht.

“Ik ben in de douchecel, Cynthia”

“Dag oma, ik ga straks korfballen, en papa en mama mogen vandaag ook mee doen, het is een soort toernooi en hier is de thee die we gisteren vergeten waren”

Mooi keind, leg maar in de keuken, veel plezier bij het sporten”

“Dag oma, kusje, papa, komt straks de soep brengen”

Weer geklos op de treden en de deur die in het slot valt.

De vrouw gaat verder. Nu haar buik nat maken, zeep verdraagt haar tere huid niet meer, en voorzichtig wrijft ze zich droog.

Met haar handen steunt ze even op de rand van de wasbak. Weer hoort ze de buitendeur opengaan.

Bent u in de douche moeder?”, de man tikt op de deur.

Ja, hoe raad je dat zo? ; -) , ik hoor dat je weer lekkere soep voor me gemaakt hebt, dankjewel hoor!”

’t Staat al in de koelkast, alles goed met u moeder?”

Prima, en het is zulk mooi weer vandaag! Maar ga maar vlug naar hiernaast, dan kun je je dochter laten zien dat haar ‘oude’ vader beter kan sporten dan ze wel eens denkt.”

“We komen vanmiddag even vertellen hoe het geweest is .

“Ik merk het wel.”

De vrouw trekt haar linkerslipper uit en vervolgt de wasbeurt.

Een half uur later schuifelt ze de zonverlichte woonkamer in, zet haar bril op en gaat even in haar stoel zitten om uit te rusten. De klok op de schouw slaat elf, ze neemt een slok sap.

Waar zou ze vandaag eens mee gaan beginnen?

Een video bekijken van ‘Murder, she wrote’, haar zus in Bennekom bellen, of de trui afbreien voor haar schoondochter? Nee, ze pakt een tijdschrift van de stapel die haar klaverjasvriendin donderdag heeft meegebracht. En voor ze het weet is ze verdiept in het wel en wee van Neêrlands zangeressen. Pas als de klok twee uur slaat merkt ze dat ze trek heeft en stapt ze naar de keuken en zet de soep in de magnetron.

17 februari 2008

Zaterdag

De grootmoeder stond in de lichtgeel betegelde badkamer zonder ramen, zich te wassen.

In de spiegel haar gezicht zonder bril, de nog ongekamde haren met uitgegroeid permanent en een plak waar de haren plat waren van net liggen. Haar nek was smal geworden, rimpels lieten de huid in boogjes hangen.

Op het glazen plankje stond links het plastic doosje met water voor het gebit en naast de deodorant – niet dat die nog nodig was, maar voor het idee gebruikte ze die nog iedere dag - 

het glas, gespaard bij de benzinepomp, met twee benen kammetjes er in.


Klos, klos, klos, “ kinderschoenen op de trap.

Ben jíj het, Cynthia?”

Ja, ik ben het oma”.

Wanneer komt de thee?”

Weer geklos op de treden en een klap van de deur die valt in’t slot.

De vrouw gaat verder. Nu haar buik nat maken, zeep verdraagt haar tere huid niet meer, en daarna gelijk weer droogwrijven, anders vat ze nog een kou.

Met haar handen steunt ze even op de rand van de wasbak. Weer hoort ze de buitendeur opengaan.

Ben jíj het, Cynthia?”

Nee moeder, Alfred hier”.

De douchedeur gaat open.

De vrouw trekt de handdoek naar haar borst. “Hier is de thee” Alfred houdt het groene doosje goed zichtbaar voor haar op.

Komen jullie zo strakjes langs?”

Nee, we hebben een korfbaltoernooi, voor ouders en kinderen”   

Hoe lang duurt dat?

Wel een paar uur, moeder”

“Komen jullie daarná dan?”

Met een gezicht van ‘nou-goed-dan’ zegt Alfred: “Aan het einde van de middag lukt het wel, ik zet de tomatensoep in de koelkast.”

En de deur gaat weer dicht.

De vrouw trekt haar linkerslipper uit en vervolgt de wasbeurt.

Een half uur later stapt ze de zonverlichte woonkamer in, zet haar bril op en gaat onder de plaid op haar bed liggen. Aan het voeteneinde staat een tv, maar ze weet niet hoe ze die aan moet zetten. De klok op de schouw slaat elf, ze neemt een slok sap.

Nog maar één uur wachten, dan kan ze de soep opwarmen.

4 februari 2008

Een parabel uit Catan. Deel 2

(lees eerst deel 1 hieronder)

Er ontstonden grofweg drie groepen. De eerste groep geloofde niet meer in de rode club en zocht het heil bij de groene of oranje spelers, om dáár op het land te werken.

Groep twee zat vastgeroest in het denken van jaren, was gehecht aan het vertrouwde land, de eigen kuddes en volgde slaafs het strakke keurslijf van de uitgedunde organisatie.

De derde groep koos een heel andere weg. Zij hadden nagedacht en overlegd. Zij hadden de wijde omgeving nog eens verkend en daarbij de nieuwe weg niet overgeslagen. De één na de ander was tot dezelfde conclusie gekomen: Het was tijd voor een nieuwe koers.

Je zag hen tijdens een aantal handelsrondes zaden winnen, broden bakken, hout verzamelen, en wol afscheren dat ze sponnen en weefden tot lakens. Alles werd getransporteerd over de nieuwe weg naar de kust. Op de plek waar de haven ooit zou komen klonken er zagen en hamers. Scheepjes werden te water gelaten. Aan touwen van vlas werden de doeken tot zeilen gehesen. De ruimen werden met het gereedschap, tonnen gerstebier en leeftocht gevuld. Ieder die wist dat hij talenten had, mocht mee.

Zo gingen zij scheep, de wind trok aan. Zij kenden alleen de branding en de horizon, maar zij waren er van overtuigd dat achter het vele water een ander eiland lag. Hoe zij zich daar precies in hun levensonderhoud gingen voorzien zagen ze daar wel; zij konden altijd nog gedeeltelijk terugvallen op de oude landbouwvaardigheden. Maar liever hoopten ze dat zij iets konden gaan doen waar ze echt goed in waren, wat bij hen paste. Zodat ze vrij en gelukkig konden worden als kolonisten van het nieuwe land.

Toekomst Ahoi!

29 januari 2008

Een parabel uit Catan.

Deel 1

Het spel der kolonisten van Catan is al een aantal kwartieren aan de gang als de stemming, tot dusver regelmatig geanimeerd, langzaam kantelt. Enkele dorpelingen van Rood voelen dat zij langzaam ingesloten worden door de andere spelers. Ze worden juist die kant op gedreven waar ze niet zijn willen.

Een ernstige stem weerklinkt. De heer uit de hoofdstad van Rood richt zich tot zijn inwoners:

Ik zie dat u allen, boeren en buitenlui, harde werkers bent, die hart hebben voor de graanoogst en die de schapen liefdevoller behandelen dan dat ik ooit ergens anders heb aangetroffen. Maar u hebt het gemerkt, zoals wij hier bezig zijn kan niet langer zo, de goede jaren zijn voorbij.

De prijs die de ambtenaren van de Blauwe stad ons betaalden zijn steeds lager geworden. De graanprijzen zijn gehalveerd en het bakken van de hoogwaardige stenen, waarmee wij ons als roden altijd positief onderscheidden, kost meer dan het oplevert.

Ook zijn de kaartjesonderhandelingen voor ons niet positief uitgevallen, de Oranjes boden gunstiger, zodat wij naast de nieuwe uitbreidingsmogelijkheden grepen.

En het zal u niet ontgaan zijn dat de zwarte rover regelmatig onze zeshoekige velden belaagt zodat het ons ook dit jaar niet gelukt is de maximale oogst binnen te halen.

Tevens moet ik u eerlijk bekennen dat de beslissing van het bestuur om een lange weg richting de kust aan te leggen achteraf een verkeerde keuze is geweest. Door technische hobbels en een verkeerde inschatting van het aantal gebruikers, is die route niet rendabel gebleken. De weg – langs een woestijn en enkel de getallen 2 en 12 – leidt nergens heen en ligt er verlaten bij. Wij zullen er niet bouwen.

Om toch onze rode nederzettingen, en de meeste van haar bewoners, op de kaart te houden, hebben we besloten om dezelfde oogst binnen te gaan halen met minder mensen. De ouderen zullen op de tuinbankjes gaan zitten, de jongelingen mogen het zware werk doen en de kinderen zullen van de opleidingen gehaald worden om mee te kunnen helpen in het bos en de mijnen. Diegenen die afgelopen jaar meer hebben gekost hebben dan ze geproduceerd hebben verwijzen we naar de straten. De onrendabele zilvermijnen worden gesloten “

Een gegons van afschuw en ontstemming gonsde op het marktplein door de menigte. Hoe moet dat nou? We kunnen toch niet met minder zorg een grotere opbrengst leveren? Hoe hoeden we dan bijvoorbeeld de lammeren? En de oude mijnen hebben toch ook nog een waardevolle zilverglans? Waarom luisterden de heren in de stad niet naar ons toen we hen die heilloze zeeweg zagen opgaan?

Kunnen we niet gaan protesteren op het maaiveld in de blauwe stad?

Het rumoer werd gesust, er zou binnenkort een rondetafelgesprek komen; maar niemand geloofde er meer in. Er werden pullen bier op de planken gezet, maar de roden lieten die staan, groepjes schuifelden pratend naar hun dorpen terug.

De spelers speelden hun ronden, terwijl in Rood de bewoners zich bezonnen op wat er komen ging.

--------------------------------------------------------------------------------------------------

11 januari 2008

Mijn Eerste Stapjes: koboi

Lwf0001_bobo

Bobo is een koboi

Tarlala pam pam pam zo huppelt

Bobo door de slaap.kamer. hij

heeft een kleed om gedaan. en een

hoedop gedaan. en nu is hij

een koboi hij gaat naar

kra  krabel toe en vraa

gt Bobo aan krabbel wil

jij ook een koboi zijn een

koboi zegt Krabel ik

weet niet wat dat is

ik weet wel wat een

indiaan is. maar een

koboi niet dit is een

koboi krabel dat ben

ik en krabel doet_

_ ook een kleed om en nu dansen samen door de kamer.

4 december 2007

Chiasme

Locatie: Op de Trouwerij

Onderdeel: De Receptie

Wie: Twee Gasten


Zij: Praat honderduit: Over het uitstapje dit weekend op een uitgestorven plek waar zij toevallig die bijzondere ontmoeting had. Over hoe haar steeds veranderende dagelijks leven haar bevalt. Zij verkondigt prikkelende meningen over de misleidende uitingen in de talkshow en zet zo de slimmeriken op scherp.

Is zij daarmee klaar dan bevraagt zij anderen, stelt bijna ongemerkt precies de goede vragen om te weten te komen wat hen nu echt bezighoudt.

Hij: Luistert aandachtig, jaloers op zoveel belevenissen en openheid. Hij vormt zijn eigen mening, maar uit die niet. Hij is niet zo vaardig van de tongriem gesneden. Al zou hij beginnen te spreken, ze zouden zijn gebroddelde taal niet begrijpen en voor hij zijn kromme zinnen had afgemaakt hem interrumperen, hem zo van repliek dienen dat hij er niet op tijd van terug had.

Laat staan dat hij iets persoonlijks zou zeggen, de afkeuring en het meelij hing immers al in de lucht?



Locatie: Op de Trouwerij

Onderdeel: Het Feest

Wie: Dezelfde Twee Gasten


Hij: Kan bijna niet wachten totdat het bruidspaar het bal heeft geopend en voor allen de muziek begint. Hij beweegt zijn bij de eerste tonen, schiet de dansvloer op voordat de DJ de gasten heeft genodigd. Of het nu een wals is van Schubert, ‘Adieu Sweet Bahnhof’ van de Nits, ‘Borderline’ van Madonna, of ‘a Beautiful Day’ van U2, hij weet het ritme te pakken en om te zetten in sierlijke of eigenzinnig onstuimige dans. Zijn ogen glimmen, hij is geheel onwetend van de bewonderende blikken vanuit de zaal, waar steeds meer gasten zich in een cirkel rondom hem verzamelen.


Zij: Staat achter in de zaal, haar bruine truitje valt bijna weg tegen de houten wand. Zij fluistert wat tegen de DJ en loopt dan achter een groepje langs naar de bar, vraagt hen wat zij willen drinken en bestelt vijf blonde Leffe. Onder haar lange zorgvuldig bewerkte wimpers door kijkt ze naar de danser in de spotlights.

Zij piekert er niet over zich nu al bij hem te voegen. Straks misschien, na nog wat biertjes, wanneer de dansvloer weer zal bestaan uit één deinende menigte.

23 oktober 2007

Eliminatie

Het was mooi:

Grote witte lijsten met uitzicht op sierlijk paarse pispotten, vrolijk fladderende jurkjes en lange sokken, knappe mannetjes in geelblauwe pakken met zwarte stropdas.

Aardig om te zien welke toeren zij uithaalden om allerlei begeerlijks, dat zij met hun kraaloogjes zagen, wisten in te pikken.

Het is nog steeds mooi:

De witte hortensia is tot oudroze verkleurd en aan de druif hangen diepblauwe trossen.

Spreeuwen verzamelen zich, druk overleggend over de te vliegen westelijke route, in de kersenboom.

Alleen,

het is een heldere oktober, de granito vloer in de gang wordt voor de jubeltenen te fris om zonder Spaanse sloffen te betrippelen. En de thermostaat jaagt de moederhaard aan.

Tijd voor iets anders moois; iets nieuws.

We trekken er op uit en zien strepen, krullen, effen, bloemetjes en combinaties daarvan.

We voelen glad, stug soepel, en zwaar.

We keuren voor kapitalen en koopjes.

We krijgen enorme tassen met stalen mee naar huis.

Nu hangen ze hier aan ijzeren haakjes mooi te wezen.

Doen ze hun best om uitverkozen te worden als kandidaten van de curtain-idols.

Elke avond is er overleg en stemmen we de slechtstpassende weg.

We danken de lap stof voor haar aandeel en vouwen haar weer in het plastic terug.

Aan het einde van de week is er nog maar eentje en zullen de overburen zien hoe mooi hun uitzicht voortaan ’s avonds zal worden.

21 oktober 2007

Vanmorgen

Mijn haar wilde niet vanmorgen

Nee,

Mijn elastiekje wilde niet mijn haar vanmorgen

Nee,

Mijn handen wilden niet mijn elastiekje mijn haar

Vanmorgen

10 september 2007

alnus incana

Dankjewel Frans, je hebt me weer reuze geholpen!

Die bolchrysanten staan zo vrolijk, ik kan de laatste bloemen van de Oost-Indische kers weer zien en die els met haar romantisch overhangende takken heb je precies goed gesnoeid; er zijn genoeg takken verwijderd om weer wat licht in huis te krijgen van de late septemberzon maar je hebt er zoveel aan gelaten dat ik hier beschut kan zitten. Wat zou ik zonder jou moeten beginnen! Ga zitten, je verdient een nu zéker je kop thee met een schaaltje froufroutjes.“

Ik kon niet anders dan het toegeven:

De privé-tuin van het appartementencomplex was een plaatje geworden.

Ik ging voorzichtig op de canapé zitten en slobberde het hete vocht naar binnen.

Dág moeder, ik ga maar weer ‘s, Nina rekende er ook nog op dat ik een klusje voor haar zou doen.”

We hadden nog wat in de deuropening staan praten over haar gezondheid. Toen ik daar over nadacht terwijl ik door het afgesloten portieknaar de buitendeur liep hoorde ik haar een ijselijke gil slaken.

Frans kom gauw kijken, wat er nú gebeurd is…!”

Ik struikelde haast over mijn voeten om bij haar te komen. Daar stond moeder verbouwereerd met mijn lege theekopje in haar ene hand. Ik keek in de richting die haar andere hand wees en geloofde mijn ogen niet.

Het was veel te licht in de zitkamer. Het uitzicht door de erkerramen bestond ineens voor tweederde uit een lelijke coniferenhaag. Waar zonet nog de Els had gestaan was niks meer.

Nou ja niets, een stammetje van tien centimeter gaf aan waar de pronkboom van het tuintje had gestaan. En een afgezaagde takkenbos op het gras werd door een man in groene overall buiten beeld gesleept.

Ik stormde het gazon op en schreeuwde de man toe wat dit dan wel niet te betekenen had.

Ach meneer, waarom zo heetgebakerd, we hadden de opdracht om die hulst weg te zagen, de glazenwasser kon niet meer bij de ramen van de linkerbovenbuurvrouw en toen hebben we - nu we toch bezig waren - die andere boom ook maar gelijk meegenomen, die raakte al aardig uit de kluiten gewassen”

...

5 augustus 2007

Met andere ogen

Een museum in het zuiden van Europa. Grote schilderijen die ruimte krijgen. Heldere kleuren, mensen, dieren en wezens. Liefde straalt van het doek. Voor wie meer weet veel symboliek.

Een klein Japans meisje in een felgeel jurkje past hier goed. Zij loopt een beetje rond en wil één van de schilderijen aanraken. Moeder grijpt in: “Dat zijn geen kopieën, geen printjes. Het zijn de echte schilderijen die de schilder met zijn penseel gemaakt heeft!”

Even is zij stil.

Dan kijkt zij anders, aandachtig. Uit haar tasje komt een camera. De mooiste panelen legt zij vast. Straks hangen ze als printjes in haar kamer.

Monumenten die voor haar voorgoed meer dan een reproductie zullen zijn.





Frankrijk_juni_2007_181

(tekst, dank aan Jozef)

15 juli 2007

Parijs - Nice

Ken je die mop over de slaaptrein naar Nice?

De drie dagen in Parijs waren excellent:

De waterlelies in de orangerie dreven als nimfen op het aquamarijn en donker cyaan.

Het cassisijs bij Berthillon  leek haast nog lekkerder dan zijn mangoijs.

De gietijzeren lantaarns en hoge bruggen over Canal de St. Martin sierden het 10e quartier als een souvenir van de industrialisatie in de 19e eeuw.

In de kathedralen van Dennis & Eus klonken gedempte voetstappen en de revolte des orgues onder gotische bogen.

We aten onze crêpes in een piepkleine auberge en voerden musjes die met z’n zevenen tegelijk op de leuning van een blauw bistrostoeltje zaten, terwijl we zagen dat de zon op de rozen de flaneurs in de Tuilerieën verheugde.

We renden langs de bomen van paleis Chaillot richting Eiffeltoren omdatwe heel luid: 'Angie' uit microfoons hoorden stromen, hopende dat the Stones - die die avond in Parijs zouden optreden - buiten, boven de fonteinen, aan het soundchecken waren.

De schoolklas liet de stemmen echoën in de folliegrot met artificiële cascade in Parc des Buttes Chaumont, waar wij later langs klommen naar de neo-Korintische tempel om de slagroomkerk op de martelarenberg van verre te kunnen zien.

Na de drie dagen waren we verzadigd met veelkleurige indrukken van deze lichtstad, en toe aan de relatieve rust in de Zee-Alpen. We zeiden: “merci et au revoir” tegen de receptionist in het hotel, sleepten de valiezen en rugzakken naar Gare Austerlitz en zochten van welk spoor de trein ons naar het zuiden zou brengen. Op het bord stond enkel: ‘Supprimé’.

“Kent u die mop over de slaaptrein naar Nice?

>Die ging niet.”

18 juni 2007

Linkje

Zonder het zien van de schilderijen op:

http://www.staartomhoog.nl/steden4.htm

had ik vorig logje niet kunnen maken.

17 juni 2007

Muus

Vanuit een roezemoes van mensenkluw loop ik één treetje op door de Calliopegang.

Vierkante ramen, met witte lijstjes, rode brikken, vijf stappen naar het pleintje.

Steile wanden torenen rondom: zeegroen, grijs en oranjerood, ook gebogen vensters hier.

Middenop een semi-Berlagiaanse ovaal met gesterde traliën.

De meeste vriendinnen zitten op het terras van noord, giebelend en drinkend van bessenlimonade en lettergin. Voor ik ze toestap voel wat kriebelen: mijn neus gaat vanzelf omhoog, een draad aan het puntje trekt er aan. Mijn ogen volgen de lijn en gaan langs lichte strikjes, een vlieger? Nee, op de torenspits zit Muus. In zijn handen het touwtje waar hij aan trekt. Hij wenkt me. De draad wordt iets gevierd.

Voor me is een deur, zonder aarzelen leg ik mijn hand op de klinkende knop en zet een voet op de tegelmat. Ben ik binnen, ben ik buiten? Rozerode wand met links een balkonnetje, daarop poes en een gietijzeren trappetje. Rechts staat een pannetje op het vuur, rookwolkjes ontsnappen, ik stap over de locomotief en volg de pijl.

Naar boven. Rond en rond, trippelstap. Een zwartwit geblokte vide over. Achter het poortje hoor ik andere voetstappen. Het is Muus. Samen op onze knieën beklimmen we een duin van zeil en varen langs een luchtig zwembadkoord met rode en witte drijvers. Aan de overkant bestijgen we een volgende wenteltrap; oude houten planken een vlakke witte muur.

Waar zouden we uitkomen?” Vraag ik. “In de droomkamers”, antwoord Muus. “Kijk, als we door dát gaatje kruipen…”.

In de lichte kamer staan doeken en emmertjes met verf. Sienna, Emerald, Ceruleum, en Engels rood. Een kanarie vliegt rond, gaat even op Muus’ kruin zitten en hipt dan via zijn arm naar een schommel. In een hoek staat een Meiske met krulletjes. Met haar bloemetjesschort voor plakt ze stippelig inpakpapier op een tekening van een indiaan. “Kom je óók meedoen Maria?” , ze reikt me een platte kwast en zet een pot met water voor me op een kruk, “wat zie jíj in de stad?”. Ondertussen loopt Muus naar de erker en trekt aan een spiraal; muziek komt uit kleine luiken in het gewelf als watervalletjes de ruimte in. Sprankelend, harmonieus, nog nooit zo gehoord.

(Zie ik de kanarie met zijn pootjes dansen?).

Ik doop de kwast in goudgeel en maak brede blokken en een koepel.

Ik doop het puntje in vermiljoen en trek kronkellijnen.

Muus maakt een lichtbruine toren met één schuine kant eronder komen ultramarijne golven.

“Leuk!”, zeg ik.”De jouwe is ook mooi, laten we ze in de gang op hangen, dan gaan we verder.”

Dag Meiske, tot later.”

Voor ik het weet geeft Muus me een klein zetje. Het laatste stukje is met een ladder van touw. Er is een gat in het plafond. Een fris windje wappert onze haren de lucht in. Het valt mee hoeveel ruimte er op dit puntje is om te zitten. Whoei, wat kun je veel zien!

Bonte daken, pleintjes(de vriendinnen lijken popjes), een plasje water, gras-met-bomenveldjes, slierten met bewegende strepen. Vóór ons een kruisdak, zwaait er iemand vanachter het bovenste raam? Rechts in de verte de zee. En links de Franse heide.

En dan nu het spannendste: we laten ons gewoon rustig van deze helling afglijden.” Pas nu zie ik dat we op de toren zitten die Muus geschilderd heeft. We laten de handen los en suizen naar beneden. Cool! Steeds sneller gaat het. Dan een klein hobbeltje. Daarna niets meer.

Ik hang in de lucht. Muus is verdwenen. “Dankjewel voor de leuke tocht”, roep ik naar de wolken. Ik draai om mijn lengteas, even kijk ik door een raam, een man met zwarte bril zit achter een bureau. “Dag frater”, zeg ik onhoorbaar. En draai terug.

Héél langzaam zak ik. De Haagse Reiger vliegt me voorbij. Een gele trein vertrekt het land in. Mijn schoenen raken de stoep. Een skater zoeft me rakelings voorbij.”Kun je niet uitkijke!”

Ik ben geland.

29 mei 2007

op verzoek: een avondje feest

Pict1467

22 mei 2007

Valkjes ll

Het grind op de bodem is niet meer te zien, zo vol ligt het met vleugelresten en veertjes.

De twee kleine perigrini, die Hope & Faith genoemd gaan worden, zullen het gaan redden.

Van de witte donzebolletjes die ze waren, zijn ze uitgegroeid tot juvenielen, die alleen door de kenner te onderscheiden zijn van het mannetje. De tekening op de kop en de ruige poten doen volwassen aan. Slechts een enkel donsveertje op de rug verraad hun kortgeleden kuikenstatus.

Het mannetje heeft hier bovengemiddeld aan bijgedragen, hij sleepte trouw grotere prooien aan dan te doen gebruikelijk; hij leek nauwelijks de tijd te nemen om zelf te vreten.

En de stiefmoeder, hoe gedroeg zij zich?

Ook die ontwikkeling was mooi om te volgen: Pikte zij eerst zodra zij er was de prooi in, een paar dagen erna deed zij dat pas nadat de jongen de helft binnen hadden. Daarna was ze zover dat ze zich geheel onthield van mee-eten. Sinds ongeveer een week helpt ze mee met voederen, wat haar, in plaats van de zakelijke naam ‘S2’, de door het publiek gekozen koosnaam ‘Tante Es’ gaat opleveren.

De serie loopt op zijn einde. In eerdere episodes geweest zijn er al aanwijzingen geweest van de afloop. De jongen strekten, binnen het hok op de zendmast, zo nu en dan de vleugels, vervaarlijk smal en wijd genoeg om hun lijfjes te dragen.

De oudste kijkt al een paar dagen over de rand van het hok naar de landerijen uit, om zich vast een beeld te vormen van zijn voorland.

Nog een paar dagen, dan zal de krapte van het hok hen niet meer beperken. Ze zullen de grote sprong maken, hun vleugels uitspreiden en op de wieken gaan.

Ze zullen na enig onwennig proberen, gaan zweven, de aarde bespieden vanuit vogelperspectief, duikvluchten maken en zelf prooien vangen, hun leven gaan leven in het weidse hemelruim.

Vaarwel!

15 mei 2007

Ecover

Zo'n goede smoes heb ik nog nooit gehad om niet te hoeven afwassen:

Het is na zessen en mijn moeder, die in de trein naar huis zit, heeft het afwasmiddel nog in haar tas zitten...

29 april 2007

Docusoap

De laatste dagen volg ik op het scherm een familiedrama.

Het begon gewoon met een man en een vrouw, waar drie kleintjes ter wereld kwamen, die zij beiden verzorgden. Al snel kwam er gedonder in de glazen:

Er kwam een tweede vrouwtje dat het eerste verjoeg. Zíj nam weinig notitie van de jongen. Erger nog, als vadervogel weer op de nestplaats terugkwam met een hapje, trok ze het met haar kromme snavel uit zijn klauwen en ging het ongegeneerd op het open balkon zitten verschalken; helemaal verguld met dat ze zo’n zorgzame partner gevonden had. De vader kon daar niets tegen doen, bij slechtvalken zijn de vrouwtjes een stuk forser dan de mannetjes. Het was nog maar de vraag of de kuikens ooit de gevederde leeftijd zouden bereiken…

Ik ben nu bij episode drie:

Ik zie in het ruime hok met grind drie witpluizige bolletjes, waaraan je, als ze even bewegen, een koppie, een dikke dij en wat kleine, nog in de weg zittende, vleugels kunt onderscheiden. Twee zijn er duidelijk groter dan derde, die als dood in een ander hoekje ligt. Gisteren bewoog het nog.

Er breekt een gekrijs los zoals alleen jonge dieren dat kunnen produceren. Een mooigetekende, ranke falco peregrinus stapt de nestkast binnen, met in zijn klauw een prooi. Hij draait zijn staart naar de camera en begint met zijn snavel te plukken, zwarte veertjes vliegen in het rond. Was het een merel, een kauwtje of een spreeuw wellicht? De jongen krijgen stukjes rauw vlees in hun begerige bekken gestopt, maar pikken zelf ook heftig mee, nog steeds schrettend. Een stukje darm wordt als een sliert spaghetti naar binnen gezogen.

De nieuwe ‘vriendin’ land op de plank. Veel te laat, één van de kuikens probeert als laatste hap een pootje naar binnen te werken, ik zie de tenen als een takje uit zijn snepje steken.
Heeft deze stiefmoeder een keer de jongen niet op tijd gehoord? Heeft zij met haar scherpe ogen deze keer ‘haar’ mannetje gemist? Van haar wordt geen notitie genomen, ook al maakt ze hoge kirrende geluiden en gaat ze als een wip met haar bovenlijf naar beneden.

Binnen tien minuten is er van de prooi enkel nog een karkas over; het mannetje gaat op de wieken, het vrouwtje gaat hem achterna. De jongen waggelen met gevulde maagjes naar de hoek uit de wind en kruipen daar weer dicht tegen elkaar aan. De rust lijkt voor even weergekeerd.

Maarrr…


Hoe zou het gaat het verder gaan?

Worden deze twee jongen allebei volwassen?

Wat gebeurt er met het lijfje van de derde?

Lukt het het vrouwtje om het mannetje écht aan zich te binden en komt er een tweede broedsel? Of keert zijn éérste liefde weerom?

Volg het zelf op

www.beleefdelente.nl

in een nieuw seizoen

24 april 2007

Zonder praatjes

Na het vierde klokgelui ben ik bezig op de eerste verdieping in het huis en moet toch zó aan onze oude tandarts denken. Het is niet onplezierig.

De lage zonnestralen schijnen door het oude glas tussen de lamellen door. Op de witte muren maken ze mooie krinkelingen. Ik hoor af en toe een auto door de brede straat met bomen voorbijrijden. Het ziet, klinkt en voelt precies zoals vroeger in de wachtkamer van dr. Boele, toen we met het hele gezin aan na schooltijd op de stoelen met zwart skai zaten. Alleen nu sta ik op een trap van aluminium, in mijn eentje.

Het wachten was er nooit zo erg, ik had toch nooit gaatjes en als beloning voor het stilzitten mochten we een klein rubberen beestje uitzoeken. Hier zijn wél gaatjes, een vlakke gekalkte wand zit er vol mee. Grote en kleine. En ze moeten allemaal gevuld. Niet alleen voor de stevigheid, het oog wil ook wat!

.

Eerst worden de door boren ontstane holletjes uitgezogen, zodat de overgebleven ongerechtigheden verdwijnen en de grijze vulstof zich straks goed kan hechten. De linker- en rechterhand werken samen als de arts en de assistente. De plamuur wordt met het instrument aangeleverd en met het achtereinde van een geel potlood in de holte stevig aangedrukt. Er is nog ruimte. Ik hoor bijna het ene paar vingers aan het andere vragen om nog een bolletje ‘amalgaam vier’. De vullingen worden één voor één met het plamuurmes gepolijst, zodat straks alles weer strak past. “Spoelt u maar.”

Ik heb plezier in dit fijne handwerk. Even overweeg ik een nieuwe studie, minutieus kiezen dichtmetselen komt in een heel ander perspectief te staan. Maar het besef dat het af en toe uitschieten van mijn hand bij een levend mens een kwalijker effect heeft dan wat krassen op een blinde muur, doet me die opwelling weer snel in de zak van de stofjas moffelen.

Het levert me naast bewondering voor de vaste hand van  de tandarts nog wat anders op; als ik in het vervolg in de stoel van m'n tandtechniker lig, zal het minder erg zijn dan voorheen: ik zal mijn ogen sluiten en mijzelf inbeelden dat mijn gebit een muur is waarop het zonlicht prettig speelt.

23 april 2007

Mnsdgdrf gadfg

Mnsdgdrf gadfg

“Zó!, het witte vel is niet maagdelijk akelig leeg meer.”

“Vel?”

“Wat zou het anders zijn,

Scherm?

, maar dan is het niet geheel wit…

Maar grijzig bruin kader, met tekentjes.

En met zo’n mal paperclipmannetje dat hoopvol naar me loert.

Kijk. Het krabt net op z’n kale kruin.”

“Dus dan was het toch niet helemaal leeg?”

“Als je het zó bekijkt, dan zou je het zo kunnen zeggen…

Affijn, er staan wat letters op, zo tikt het beter.

We kunnen beginnen.”

Of is het al af?

15 april 2007

Vlinders

Jarenlang was ze heel tevreden met haar bestaan. Ze had aardige mensen om haar heen, geen ernstige ziektes en genoeg geld om te kopen wat ze wilde. En opeens miste ze iets, wilde ze wat anders.


Ze ging op zoek en keek overal om zich heen. Ze bekeek advertenties, bestormde het digitale web en schakelde zelfs vrienden in, maar niets leek te helpen.

Haar moeder zei: “niet getreurd, niet een hánd vol, maar een lánd vol!”. “Een stad vol”, verbeterde ze haar moeder, “want ik wil wel hier blijven wonen.“


Toen kwam de dag dat ze precies tegenkwam waar ze op gehoopt had. Een foto op internet haalde haar over. Een grote, nette verschijning, wat ouder, maar daar viel ze wel op. Ze werd voorzichtig blij, ze sliep wat later in dan anders; maar een ander was haar voor.
Ze treurde een dag en begon daarna opnieuw met zoeken naar de ware.

Het duurde niet eens zo lang totdat ze andermaal doel trof. Deze keer ze nog enthousiaster dan de vorige keer! Dezelfde goede kenmerken sprongen er uit, bovendien waren er nog meer mooiere en vriendelijkere eigenschappen. Ze zou er de ruimte krijgen, ze zou helemaal zichzelf kunnen zijn. En ze wist dat ze er tegelijkertijd er alles aan doen zou gaan doen om het object van haar adoratie goed tot zijn recht te laten komen.


Een nieuwe periode van spanning brak aan. Was zij de uitverkorene? Vlinders fladderden door haar lijf. Ze kon nergens anders meer aan denken, nu lag ze echt hele nachten wakker, om voorzichtig plannen te maken. Hoe mooi zou het allemaal kunnen worden? Helemaal voluit durfde ze dat niet, want ging de ander in op wat zíj te bieden had? Waren er hier ook andere kapers op de kust?


Zij mailde hem een voorstel.

Ze wist dat hij pas na drie dagen zou antwoorden.

Nagelbijtend bracht ze de volgende ochtend door.

Ze gaf zichzelf steeds minder kans, hoe híeld ze het uit tot donderdag.


Ze kon het dan ook bijna niet geloven wat de stem nog diezelfde middag door de telefoon tegen haar zei.

Ze vroeg hem het te herhalen.

Ja, toen hoorde het hem echt duidelijk zeggen:


Ik mag u feliciteren mevrouw, de verkoper heeft uw bod op het huis aanvaard.”

8 april 2007

Pasen

De_heer_is_waarlijk_opgestaan_1

1 april 2007

Amy

In het halfdonkere zaaltje zaten de grote mensen aandachtig naar de bewegende lichtbeelden te kijken. De man met de net geknipte snor, de jongen die voor de gelegenheid zijn  favoriete hemd had aangetrokken én de vrouw van middelbare leeftijd met dikke donkere wenkbrauwen en roetzwarte krullen, die ze met een goudkleurige speld boven haar hoofd bijeen gebonden hield.

Naast deze vrouw zat Amy. Amy had ook eventjes rechtop gezeten, maar een film die haar vader gemaakt had, had ze al vaker gezien en ze was al snel, blazend tegen haar blonde pony, in het rond gaan kijken of er ergens anders niet iets leukers te beleven was.

Op de grond bijvoorbeeld. Amy ging liggen en zag vlakbij haar, op de bruinrode plavuizen, een poedel. Ze aaide de witte krulletjes en het hondje keek haar vertrouwenwekkend aan.

Op het scherm probeerde de man te vertellen wat híj in zijn lange leven ontdekt had. Hij wees op grijze foto's in zilveren lijstjes, afgezet met  parelmoer, die op het bedompte fluweel stonden. [Amy kon de man op de film niet verstaan, hij praatte buitenlands.] Uit de speakers kwam het geluid van een propellervliegtuig, het gleed langzaam over in het schretten van meeuwen en een rollende branding.

 
Het hondje had de ogen dicht. "Ga maar lekker slapen Poedie", fluisterde Amy. Ze streek nog één keer over zijn kop.  Ze voelde dat ze naar de w.c. moest. Ze danste op het haar bekende thema van 'uit de nieuwe wereld' door het gangpad naar achteren. De man met de snor keek even verstoord op.

Toen ze terugkwam stonden haar papa en een lange meneer in een oranje T-shirt voor in de zaal met een bos tulpen in de hand. Zij keken elkaar lachend aan. De mensen klapten.

"En meisje, wat vond jij het mooist?" De man die wat onderuitgezakt achterin de zaal had gezeten, boog zich iets naar haar toe. Amy stapte een pas achteruit en kroop bijna achter haar moeders been. "Het hondje", zei ze zachtjes.

"O ja, die renden rondjes om de obelisk en verbonden zo het verleden met het
nu en daarachter de toekomst. Dat had je vader genoeglijk verbeeld."

Het meisje keek de man met wijdopen ogen aan, wierp een blik op de nog
steeds rustende Poedie en rende naar buiten, het zonnige veld met
madeliefjes op.

8 januari 2007

Dagelijks voorval

Ach, het was feitelijk zo bijzonder niet, het gebeurde waarschijnlijk een paar keer per dag wel ergens. Niet bijzonder genoeg om zelfs maar de plaatselijke krant te halen. Maar het ging je niet in je kouwe kleren zitten, al leek dat ogenschijnlijk voor je omgeving wél zo op het eerste gezicht.

.

Soms was er ineens een koude rilling die van boven naar beneden over je rug liep of een onrustig kloppen in je keel. En als jij in je eentje ergens mee bezig was spookte het achter in je hoofd wat rondjes en popte het beeld weer duidelijk op wanneer de herinnering het uitkwam. Én als je het voorval iemand vertelde natuurlijk.

.

Die luisteraars waren dan ontzet, keken je dan met grote, ongelovige ogen aan; dat zoiets jóu - een Hollandse jongen in moderne kleren met prima baan en geschikte vriendin – op klaarlichte dag was overkomen. En dat je dat dan luchtig, met bijna glunderende ogen op het verjaardagsfeestje, tussen een hap zalm en een slok bier door, kon vertellen, alsof je het had over een net gescoorde cd.

.

Je was er nog goed vanaf gekomen. Zeer goed zelfs! Jou was geen haar gekrenkt, van jouw vriendin ook niet. Jullie hadden wel minstens in een rolstoel kunnen zitten nu.

En jij was tenminste nog zo slim geweest om je bankpasje in je broek te stoppen, zodat je met drie treinen en twee bussen, vanuit het diepe heuvelige binnenland, precies een half uur voordat de ambassadeur een week met vakantie ging, de ambassade in de hoofdstad kon binnenstappen om een nieuw paspoort te laten maken.

.

Dat je verder al jouw bagage kwijt was, inclusief je mobiel met de telefoonnummers van al je vrienden die je niet geback-upt had en je scheerspullen miste - zodat je de rest van de vakantie zèlf wel een bandiet leek - mocht je dan niet zo erg vinden. Evenmin dat de rest van je 20-daagse vakantie in Zuid-Amerika goed verziekt was.

.

Want als de leider van de bende struikrovers nu eens wél de trekker had overgehaald van de revolver, die hij bij jou, op het hoofd had gezet? Dan was je er véél slechter af geweest. Véél slechter…

30 december 2006

Tweede gastlog van Quercus

Als de stank verdwenen is blijft de schoonheid

“Uw laatste kans om de oude guldens om te wisselen voor courante euro’s”, klinkt het elk uur uit de radio. De sigarenblikjes, jampotjes en luciferdoosjes worden leeggemaakt. Uitgespreid op tafel valt de vertrouwde schoonheid op.

Dagobert Ducks geluksdubbeltje paste voor mij prima bij ons lieve, glimmende dubbeltje. Qua diameter ligt de 10 Eurocent misschien dichter bij de “Dime”, maar het beeld uit mijn jeugd laat zich niet omrekenen.

In een la ligt ook nog het blauwe biljet met het ijsvogelwatermerk en het krachtige gedichtje dat deze blauwe vlam zo knap schetst:

“Dolk op wieken in een jasje van kobalt,

buik oranje … maar de oogwenk ziet

even maar een blauwe vlam”. *

De cent is uit de roulatie genomen omdat het maken ervan meer kostte dan een cent.

Zo is dit kunstwerkje voor mij waardevoller dan voor de bank.

Vanaf nu ligt ‘De IJsvogel’ niet langer in het donker.

Hij komt ingelijst boven het bureau!

21 december 2006

Vandaag

Korter kan niet

14 december 2006

dag 1b

Berkjes

Twee nog bruine stammetjes, werden geplant in de voortuin van het net gekochte huis. De ene wat groter dan de andere, dat was goed; want ik was ouder dan jij. Een dode steunpaal was niet nodig, we hadden immers elkaar?

Rondom werd gras gezaaid, het lukte nooit om gazon te worden. Níet doordat er blote kindervoetjes trapten. Níet doordat een kat er groef, nóch door het woelen van mollen. Nee, de wortels bleven aan de oppervlakte en namen al het water. De wind waaide, takken zwiepten, blaadjes trilden. De bast werd wit, zilver in de nachten van de volle maan, krullend rijstpapier.

Ik keek er naar als ik niet kon slapen. Wanneer ik ziek was, of verveeld Ik dacht al kijkend aan mijn broertje. Met wie ik in de morgen had gespeeld.

Warme zomers, nevelige morgens

Pimpelmezen pikten zaadjes, Eksters namen takjes mee, Spreeuwen die kwetterden en mussen maakten er kabaal voor twee.

Kille nachten, novemberstormen.

De bast die scheurde: Zwarte zoute droppen ontstonden aan de voet. Takken die het licht wegnamen, werden doeltreffend afgezaagd. Zodat een donkere myosotis zeggen kon: “Vergeet mij niet!”

Het nieuwe huis was oud geworden. De berken reikten boven de dakgoot uit. Al keek ik al jaren tegen jouw adamsappel aan: Mijn boom was nog steeds de grootste.

De vrouw zei:“Ik ben de stilte zat en wil naar de stad” De man zei: “Nu de schaapjes op het droge zijn, wil ik nu zelf ook droog wonen gaan” Zij pakten hun biezen. En verlieten het drassige woud.

De kinderen vlogen ook: de één naar de berg, de ander naar het duin en keerden nimmer weerom. De bomen bleven eenzaam achter alleen een foto was gemaakt. Een poster prijkt nu op haar kamer: Een felwitte stam, tegen een helder zonnig blauw. Het lichte hondje van de overkant scharrelt er omheen alsof het afscheid nemen wou. De lijst rondom is zwart; een randje rouw. _______________________________________________________________________

Er kwamen verse bewoners in het huis. Zij bouwden een glazen erker aan. De bomen ruimden het veld. Stenen in waaiers namen hun plaats in, zónder rommel van tienduizenden berkezaadneusjes, die maar opwaait zonder plan. Zónder kronkelige wortelstrengen, die opbollend de geometrie verstoren. _______________________________________________________________________

Ik kijk naar de poster als ik niet kan slapen. Wanneer ik ziek ben, of verveeld denk ik al kijkend aan mijn broertje, met wie ik in de lente heb gespeeld.

9 december 2006

Op de stoep

Ze belde aan op nr. 108, naast de brede glimmende houten deur. Ze hijgde nog een beetje na, ze was laat van huis gegaan, maar gelukkig hadden de stoplichten mee gezeten.

Waarom hoorde ze de tochtdeur nu niet piepend zwiepen? Moeder wíst toch dat ze elke donderdag om tien uur kwam? Nog maar eens proberen, misschien had ze de bel niet gehoord, alle mensen boven de zeventig jaar werden hardhorend. Na zo’n vijftien seconden hoorde ze nóg geen teken van leven. Ze zou toch niet nog in bed liggen? Het was geen vrouw om zich te verslapen, voordat zijzelf vroeger uit bed was, had haar moeder ’s morgens altijd de aardappels al geschild.

Of was ze ziek geworden? Had haar stem dinsdag niet heel schor geklonken? Slordig dat ze er niet meer aandacht aan had geschonken; je hoorde tegenwoordig zo vaak dat ouderen aan een longontsteking overleden… Kon ze nu maar opbellen, haar moeder had een toestel naast haar bed, nu begreep ze ineens waarom haar dochter elke dag beweerde dat je zonder mobieltje niet leven kon.

Het bleef nog steeds stil achter de deur. Een derde, nu lange beltoon klonk. Zou ze de sleutel van de achterdeur gebruiken en achterom over de schutting proberen te klimmen, of tóch die nieuwsgierige buurvrouw waarschuwen om zó in de achtertuin te komen? Waar wás haar sleutel eigenlijk? Ze voelde in alle zakken van haar regenjas. Néé toch, niet nu! Hij zat nog in het zomerjack, vorige week was het immers zestien graden geweest.

Moeder kon wel gevallen zijn, en al twee dagen op de grond liggen, zonder eten. Waarom ze dat gladde kleed op het parket nog nooit weggehaald hadden…

Ze had net besloten om dan tóch maar op nummer 106 hulp te vragen, toen ze er bijna van schrok dat de deur vóór haar openging en moeder, monter als altijd, haar begroette met: “Letty, wat kijk je bedremmeld, je weet toch dat ik niet in zeven sloten tegelijk loop? Ik had net Mme. Sylvain aan de lijn, ik had haar maanden niet gesproken, ik hoorde je bel wel, maar ze had weer van die geestige anekdotes over het operetteleven en haar nieuwe chow chow, dat ik het gesprek niet zo snel wilde afbreken. Je krijgt de groetjes van haar.” “Maar moeder, u had wel…”Nu geen gemaar, kom ga zitten, dan drinken we een kop koffie, dan kun jíj bijkomen en hoor je van mij alles over Eloïse Sylvain."

16 november 2006

Golconde

Het was een middag om naar boven te kijken. De sfeer in de straten rond het Voorhout werd bepaald door één grote wolk: grijs aan de linker- en een verguld oranje aan de rechterzijde, dat afstak tegen een helder blauw. Het geheel bracht een lichte onwerkelijke ambiance over het statige centrum, als waren schemerlampen tegelijk met een winterzon ontstoken in de nette opkamer.

.

Op het plein vóór het werkpaleis hielden voorbijgangers hun pas in en staken hun kin in de lucht, zij tuurden, samen met een fotografe in een hoogwerker, naar de grote wand boven het chique modehuis. Daar leek, op doek, een immens grasveld gegroeid, met in de hoek een donkerblauw vignet van een eeuwenoude verzekeringsmaatschappij. Het vreemdste echter bevond zich daar iets schuin boven.

.

Een man in zwarte krijtstreep zweefde rechtop vóór de muur, met zijn rug naar de pui toegekeerd. Hij leek alleen, met zijn voet, te ‘steunen’ tegen de grasmuur met zijn geknikte rechterbeen, zijn linkerbeen bungelde in de vrije lucht. Hoe ik ook keek, ik zag geen draad of doorzichtige drager waar zijn zwartgelakte linkerschoen op rustte. Eigenlijk leek het alsof dat er helemaal geen levende benen in de pantalon aanwezig waren, zo vrij vielen de plooien.

.

Maar hoe kón het dan? Want het bovenlijf van de heer was levensecht: De rechterhand bewoog het gevulde champagneglas naar de mond en de linkerhand hief, iets bevend, de gedistingeerde paraplu boven de bolhoed. Het hoofd draaide en keek me aan met de mimiek die zeggen wilde: “Heus, ik ben hier echt!”.

Was er sprake van een mens zonder benen? Maar dan nog, de romp moest érgens op rusten? Vertoonde een illusionist zijn kunsten? Ik bespeurde er geen tussen het groeiende aantal toeschouwers en ook geen blue screen.

Was er een verband tussen de bijzondere regenwolk en de uit de lucht gevallen man met paraplu?

Ik kwam er niet achter en liep verder.

.

Maar het liet me niet los en mijn blik bleef op het luchtruim gericht. Meer donkere wolken kwamen aangedreven. Ervoor cirkelde een vlucht grijze duiven. En ineens vielen de twee beelden in elkaar: Hoe de zaak precies in elkaar zat bleef een geheim en hoefde niet meer verklaard, het waaróm werd helder als het licht op het Voorhout. Míjn ode aan de Waalse René “It’s raining men”, floot ik zachtjes voor me uit. De eerste spetters vielen op mijn gezicht. En ik wandelde verder, langs de flats met het grasveld dat door ligusterhaag omzoomd was.

Raining_men_1 Raining_men

.

.

.

.

.

.

.

.

- hier een betere afbeelding -

4 november 2006

Tegeltjes-breinheid

De tegels van 15x15 cm in de douche hadden, toen ik hier kwam wonen, niet de kleur die ik zelf zou uitkiezen, maar ze stoorden me niet genoeg om de wand te veranderen. Ik had er sindsdien nooit zoveel acht meer op geslagen, het was gewoon de middelbruine wand.

Vanavond veranderde dat. Ik stond onder de ontspannen stralen de dag te overdenken en plannen te maken voor morgen, toen mijn ogen zich bij toeval scherp stelden op het glazuur van de tegels. De vage structuur van rondjes, stippen en kronkelige lijnen kregen betekenis.

Ik zag er, als soms in wolken, allerlei dieren in. Vanwege de kleur eerst savannedieren: antilopensoorten met vertakte hoorns, sluipende panters, giraffes die met hun nek over de rand van de ene tegel op de volgende door gingen. Tijgerkoppen die een hele tegel besloegen. En later ook vogeltjes van een paar cm groot, vlinders en vreemdsoortig vee.

Er waren ook dieren die ik nog nooit eerder gezien had, maar die nu om me heen stonden als waren ze er altijd geweest. Monstertjes met vijf- en zeshoekige donkere ogen, midden in bolle gezichten of driehoekige buiken. De beestjes gedroegen zich niet als versteend, ze verplaatsten zich van tegel naar tegel. En ze vervormden: een zittende uil met oortjes werd een dik lijf van een rechtopstaande lintworm met twee tentakels met grijpklauwtjes en schedels die bungelden aan de romp.

Ik spoelde de shampoo uit mijn haar en keek opnieuw; alle dieren waren waterdieren geworden. Lange, bolle en kronkelvissen, torretjes, uitvergrote watermicroben en een geleed zeepaardje: eentje zoals mijn grootvader voor mij tekende toen ik drie was. Allemaal hun weg zoekend tussen de naar beneden glijdende druppels.

Ik begon er aardigheid in te krijgen. Zou ik behalve dieren er nog andere dingen kunnen ontdekken? Ik nam de proef op de som en kneep bij het uitspoelen van mijn haar de ogen half dicht. Het bruin werd zand van strand, net nat geworden van de golven die zich in de branding teruggetrokken hadden. In het gladde oppervlak waren gaatjes ontstaan, als slurpten verticale kokervormige schelpdieren de zandkorrels boven hen weg. Ik zag ook vreemde planeten, met kraters bergruggen, al eeuwenlang hun vaste banen gaand.

Daarna draaide ik mijn hoofd naar rechts, mijn lijf volgde. Ik bevond mij in een grote hoge pan met kokende suiker, karamel die luchtblaasjes naar boven liet borrelen. Ik draaide onwillekeurig de rode kraan iets naar rechts. Het volgende beeld was nog minder aangenaam: het oppervlak werd een huid met geschubde onregelmatigheden, pukkels en bobbelig als was het verbrand. Zweren en littekens van pokken en snedes. Had het net nog heet aangevoeld, nu liepen de rillingen over mijn rug, de druppels waren haast tranen.

Voordat mijn fantasie nog grilliger vormen aan zou nemen pakte ik de handdoek, en deed mijn avondgewaad met onschuldige streepjes aan. Een kwartier later, ontspannen nippend aan een oude rode port, stelde ik Jozef voor om weer eens naar Artis te gaan.

16 september 2006

Via Musica

Via Musica,

Mijn blote voeten genieten van de warmte op het balkon

net als ook mijn oren geprikkeld worden:

Tikke takke, tikke takke,

Tikke takke, tikbom, tikbom.

Tikke takke, tikke takke,

Tikke takke, tikbom, tikbom.

Tik-Tak-Bóem!

En nog eens:

Tikke takke, tikke, takke,

Tikke…,…

Dat klinkt heel niet gek; strak en vrolijk, kun je zeggen. Een nieuw muzikaal buurkind? Ik trommel met mijn vingers op het metalen hek aarzelend een paar slagen mee.

In de tuin beneden zit een peuter in de zandbak te spelen, hij begint met zijn plastic schepje op de gele emmer mee te slaan.

Het is geheel buiten de maat en het zand spat in het rond, maar van zijn brutale snuitje valt zoveel plezier af te lezen! Dat lijkt ook de buurman van daarnaast te vinden: want de houten spatel waarmee hij de restjes uit de koekenpan schraapt, gaat ritmisch rond als een brush op een bekken:

Tikke takke ,-bssjjh-, tikke plok, takke, -bssjjh-

Tik plok-ke takke, -bssjjh-  tikbom, tik plok-pok bom, -bssjjhssjh-.

Het vriendje van het klussende buurmeisje pakt de boor en zet hem in de muur: een gierende gitaar voegt zich bij het combo.

Dat herinnert de baardige buurman, die zijn motorfiets aan het oppoetsen is, aan vroeger tijden; hij zet fluitend een ‘gouwe ouwe’ in.

Bij zoveel muzikale inzet vervliegt mijn schroom en ik improviseer lustig handentikkend met de ‘neighbour-gang’ mee.

De nette overbuurvrouw van 1-hoog slaat zoals elke dag om deze tijd haar stofdoek uit. Ze fronst haar wenkbrauwen om zoveel lawaai. Maar als zij de sympathieke hondenvriend hoort fluiten en haar oppaskind ziet glunderen, smelt haar hart en wuift ze, eerst voorzichtig, maar later steeds geestdriftiger, de maat met haar flanellen lapje mee!

Tikke takke, tikke takke,

Tikke takke, tikbom, tikbom.

Tikke takke ,-bssjjh-, tikke plok, plok, takke, -bssjjh -plok

Tikke takke, -bssjjh-  tikbom, tik pok bom, -bssjjhssjh-.

Tikke takke ,-bssjjh-,fluuht, plok tikke, takke, iejoeoerrrr, fluuh, pom pom -bssjjh-

Tik takke plok-ke, -bssjjh- fluuh tikbom, plok tik pok bom, iejoeoerrrr, fluuh,  pam -sjjhssjh-

Pom-Póm!

11 augustus 2006

Supertrio

Op het woonerf komt een vrolijk rijwiel op me af.

Over de iets verzakte stenen gaat een middelgrote fiets met drie lachende jongetjes met donker haar.

Nummer één zit stevig op het zadel en hij draait bezield met zijn voeten de trappers rond, hij kan niets zien, want nummer twee zit voor hem op het stuur, dit jongetje klemt één hand om het handvat naast zich en het heeft het andere been om de lamp heen gestrengeld en zijn voet op het spatbord. Hij joelt, maakt capriolen en aanstekelijke grimassen naar ieder die op hun pad komt. En vermaakt zo gelijk zijn vriendjes.

Nummer drie staat achterop de bagagedrager, zijn handen op de schouders van nummer één, zijn hoofd torent boven alles uit en zijn blik is gericht op de weg vóór hen, hij waarschuwt  de andere twee als zij dreigen te botsen of uit te glijden.

Door de diepe plas, een haag van spetters, vijf benen schuin omhoog.

Spurten langs het grasveld waar gevoetbald wordt.

Slalommen om twee verliefde tieners, het bankje en de prullenbak.

Over een smalle stoep en dan rechtsom het poortje in.

...

Zij gaan, zien en zijn

Eenheid op stalen wagen,

Hun weg door de wijk.

4 augustus 2006

Goochelen

Op de Sinterklaasmiddag voor de kinderen van het personeel van een chemische fabriek was er ooit een goochelaar. Ik was een jaar of acht en zat in de zaal.

De man met de hoge hoed begon met kaartentrucs, die boeiden mij maar matig, met zijn vlugge vingers stopte hij ze natuurlijk gewoon in zijn mouw. Wél was ik jaloers op het jongetje naast mij, die de man op het podium mocht assisteren.

De act daarna leek beter: De goochelaar zette drie glaasjes op tafel en hij vroeg drie helpers uit de zaal. Ik stak mijn vinger zo hoog mogelijk in de lucht en werd uitverkozen. Misschien kwam het achteraf ook omdat ik één van de weinigen was die een groen T-shirt aanhad, de andere twee kinderen hadden een geel en een rood T-shirt aan.

We kregen ieder een glas in onze handen, - “Goed vasthouden hoor!”- en we verzekerden ons publiek dat er enkel water in zijn kan zat en dat onze glaasjes hélemaal leeg waren.

Na een: “Simsalabim en Pocus Pas, ik wens gekleurde limonade in het glas”, goot de goochelaar de glazen vol. En wonder bóven wonder, hielden wij ieder een glas met vocht in de handen dat de kleur had van onze kleding. Verbazing over deze verrassing en trots, omdat wij hieraan hadden meegewerkt, stond op onze gezichten. Als beloning mochten wij de limonade opdrinken. Mmm,  reine claude, toen mijn lievelingssmaak!

*

Jaren later goochel ikzelf iedere dag.

Ik giet water  in de ene kant van het apparaat, druk op een rode knop en onder miraculeus gestoom en gepruttel komt er aan de andere kant, na twee minuten, heerlijk warm bruin vocht in een glazen kom.

En dat mijn assistent ’s ochtends wat goochelpoeder uit een paars blik met zilveren sterren in de filter heeft gedaan doet daar niets aan af, integendeel!

1 augustus 2006

Oproep

Licht_017 Waar was u nou?

Donkerblonde dame in een grijze Opel Corsa?

Stond ik daar vorige week vrijdag aan de A28, op de vluchtstrook, mijn leven en een bekeuring(waar u zo te lezen wel weg mee weet) te wagen, op u te wachten, was u in geen velden of wegen te bekennen…

En ik had nog wel een boekje over gebarentaal op de kop getikt (nee niet met mijn wijsvinger boven mijn neus) om u zo goed mogelijk te kunnen begrijpen.

Het is jammer, ik wilde mijn wanstaltige macho rijgedrag van de 14e tegenover u goedmaken. U hebt me in úw contactadvertentie laten inzien hoe stupide het ‘vrouwtje-achter-het-stuur-pesten’ eigenlijk is.

Het is jammer, u mist nu deze bos langgesteelde, geurige, rozen. Ik heb ze zelf maar in het jampotje gezet dat ik had meegenomen om uw brandnetels in te zetten. (Wist u trouwens dat je daar uitstekende plantenmest van kunt maken, als u nu toevallig wat op het dakterras heeft staan...).

Het is jammer, in mijn achteruitkijkspiegel leek u me eigenlijk best aardig, onder uw gefronste wenkbrauwen stonden twee heldere barnevelderbruine ogen. Maar men kán een inschattingsfout maken, daar weet ik inmiddels alles van.

Als u deze oproep bij toeval tóch leest, zou u dan misschien een keertje over uw hart willen strijken en een beriggie willen achterlaten? Daarmee zou u mij een groot plezier doen. En dan zit er voor u misschien wel een vers bossie in!

Een welgemeende, hartelijke groet van een vrije metselaar, Marinus.

(voor als u de link niet zelf kan maken klik)

Licht_017_1

21 juli 2006

Mirakel, (gastlog door Quercus)

Bezweet kwam ik terug van het sporten. Sporten viel niet mee tijdens deze tweede hittegolf van het jaar. Terwijl mijn gedachten naar een koel biertje gingen, werd er heel vaak aan de bel getrokken. Toen ik de deur open deed dacht eerste dat het belletje-trekken was.

Maar er stonden twee bescheiden Indonesische meisjes op het portiek. “Dag, meneer ik heb lekkage, kan dat bij u vandaan komen?” Kortgeleden was ik nog geconfronteerd met een forse rekening van de loodgieter dus ik hoopte van niet.

“Ik trek een paar schoenen aan en dan loop ik wel even mee.” Het huis was eenvoudig ingericht en veel was goed bedoeld, eigenhandig, rood geschilderd. Vast een studente of iemand met een eerste baantje. Haar bed stond tegen de muur en je zag duidelijk straaltjes langs de muur en het liep ook op het dekbed.

Er kwam geen waterleiding van ons in de buurt. Ik vroeg haar een papier om de situatie te schetsen. Het was een echt meisjeshuishouden: wel een handvol tampons op tafel maar een schrijvende pen was niet gemakkelijk te vinden.

Na mijn uiteenzetting keken zij wat vertwijfeld. Wie moesten zij nu bellen om de bron op te sporen? De brandweer? Een loodgieter leek mij een betere oplossing. Maar wacht dan tot nu het weekeinde dat is een stuk goedkoper. “Stroomt het nog erg?”, vroeg ik. “Ja, steeds meer en het voelt ook zo raar aan.” Nogmaals in de slaapkamer bleken de “straaltjes” een kleverig goedje. Door het warme weer was de hars of de lijm van het schrootjesplafond weer vloeibaar geworden. De meisjes bedankten mij opgelucht voor de oplossing.

Tja, als het hout niet tot schrootjes was verwerkt maar tot een Mariabeeldje, zouden er morgen busladingen mensen zijn komen kijken...

14 juli 2006

14 juli

Ons schip zeilt over de platte daken, laveert tussen de schoorstenen, antennes, kruinen en kerktorens door. Als het aan de wind lag zouden we zó in Westkapelle zijn. De wind die zijn lokken langs het gezicht doet springen.

Een duif zit parmantig op de boeg, een kauw tuurt in het kraaiennest naar de groene golfjes die ritselen in de laatste zonneschijn.

Op het grijsgeruite dek lig ik, met warmbeschenen wangen loom te luisteren:

Meeuwen roepen rondom, links passeert knetterend een motorbootje. Een vaantje klappert en een kind vraagt zijn moeder om een ijsje.

Het luik van de kombuis gaat knerpend open. Ons toetje wordt voorzichtig in een mandje voor onze voeten neergezet. We snoepen het samen met één lepeltje. Als er echt geen likje meer over is, pakt hij het schaaltje en brengt het in het vooronder terug. 

Voordat hij geheel verdwijnt, het ruime sop zal kiezen om een zeepaardje in toom te houden, krijg ik een kusje dat smaakt naar zoete kersen en chocola. Dag lief.

Wat een zaligheden! Zo’n tochtje is toch wel één van de heerlijkheden van de zomer. De merel kent allang de charme van dit seizoen en start zijn warme avondzang. Gedachten kabbelen verder, ik laat mij zachtjes wegdrijven op de vogels’ golvende tonen.

3 juli 2006

(v)luchtig

Gisteren is mijn aandacht weer intensief gevestigd op het luchtruim en de wolken.

Vandaag raakt mijn rug het strandlaken. Boven mij oneindig lichtblauw. Met één grove zigzag van een onderverdeelde, doorluchte, schapenwolk.

Ik zie er een vrouw in. Haar kin iets omhoog, aan haar hoofd een streng van vlechtjes tot op haar bilpartij, bovenaan bijeengebonden. Ze staat in skihouding: borst vooruit, armen naar achteren en door haar knieën, onder haar voeten ski’s van cirrusveren.

Krachtig en elegant.

Ze blijft op één plek, vormvast. Ze kijkt naar Sanne en André, die met vrienden barbecuen, naar Evy die op de schouder van Michel naar de golfjes gedragen wordt en naar Angelique die op de gitaar liedjes uit de jaren ‘70 speelt.

Ik probeer de dame in de lucht met een camera vast te leggen, maar het lijkt alsof ze dat merkt, want ineens worden de wolkjes ijler, ze vervaagt tot hemelsblauw.

Ach, misschien ís het ook onmogelijk om een hemelnymf, die slechts bestaat uit kleine ijskristallen, damp, vluchtiger dan etherische oliën, te vangen met een powershot.

Een paar uur later, als het killer en stiller is geworden, turen we naar de rode zon die zich achter de horizon laat zakken. Er komt een silhouet van een bootje voorbij, een speedbootje, met daarachter een talentvolle waterskister, met wapperende haren.

Ik kijk Jozef aan. En we denken hetzelfde. Is zij afgedaald tot op het bijna gladde water?

Ik laat mijn toestel dit keer in de tas.

Zij is mij ook nu te snel.

27 juni 2006

De coladrinkers

Vijf tweeliterflessen, en een halfje, waar cola in heeft gezeten, staan, met een sinasfles, ook leeg, op de vensterbank van het rechterraam.

Vóór ze daar stonden lagen ze, iets diagonaal met de opening aan de mond, één voor één in de kom van een vaardige hand.

Mannenhanden die van het bruine huis, in witte overalls, een wit huis maakten.

Laag voor laag. Kamer voor kamer. Wand voor wand.

Gebikt, gezet, geplamuurd en gesausd.

En dáárvoor stonden de flessen in het linkerraam,

op de gele vensterbank.

Er staat daar nu nog maar één halfvolle fles.

Het huis is bijna klaar.

23 juni 2006

Vleugje Haagse zomer

“Dag, ik ga nog even op de fiets naar het Voorhout, daar is weer de zomertentoonstelling.” “Mag ik bij je achterop?” ”Best, maar jij ziet er toch helemaal niets van? En de kunstenaar heeft verboden de beelden aan te raken – hij is bang voor vette vingers – dus de vorm vóelen wordt ook niks…” “Geeft niet, heb je dan nooit gemerkt dat dat sowieso voor mij één van de prettigste plaatsen is om te vertoeven, half juni?”

Ze springt op de bagagedrager. “De buurvrouw heeft het draadjesvlees voor vanavond al opgezet, ruik jij dat ook?“ “Nou je’t zegt wel”. Ze rijden de straat uit. ”Hier bloeit liguster, mijn moeder gruwde van die zware lucht, papa moest van haar de heg altijd op tijd knippen. En daar staan rozen, twee soorten, die ene lijkt op de klimroos die opa in de tuin had. Hé bah, daar is een vuilniszak opengescheurd.”

“Waar denk je dat we nu zijn?”. “Koekamp, ik ruik het versgemaaide gras en hoor op de achtergrond een optrekkende tram. Jammer alleen van die uitlaatdampen van die scooter.” Bij het kruispunt laten ze een fietser van links passeren. “Die gaan naar het strand, ze zijn alvast ingesmeerd met zonnebrand.”                                            Als ze overgestoken zijn zegt ze: "We stonden tussen een man die flink gesport had en eentje die net onder de douche vandaan kwam. Die laatste rook naar ouderwetse groene zeep.” “Hoe weet je nu dat het mannen waren?””Tsja, geen idee eigenlijk, dat ruik ik gewoon.”

Op de hoek van de Herengracht hangt de vetzoute lucht van een snackbar. Even verderop laten gegrilde kippenpoten hen het water in de mond lopen. Op het Plein, het is half twee, krinkelt een mengsel van koffie, bier, knoflook en sigarenrook. Nog wat verder ligt het roemruchte Toernooiveld, daar zijn de geuren uit het verleden al lang vervlogen. Ze zet het rijwiel vast aan het hek van het Paleis, onder hoedjes van vorig jaar.

“Wijs mij maar de bank, bij de knik van het Voorhout, daar houd ik het wel even uit!“                                                                      Ze gaat zitten, ietsje achterover, haar neus omhoog en snuift, inhaleert diep. Ze had het al geroken: De doordringende en tegelijkertijd zachte lucht van de Lindebloesem! Fris en zoet, balsemend, verkwikkend. Een vrolijke geur, de bloemetjes huppelen via haar neus haar hele hoofd binnen, strelend lief. Heerlijk! Helemaal Juni. Mmm.

17 juni 2006

Moderne strandjutter

Hij gaat het duin af, doet zijn sandalen in zijn schoudertas, tuurt even over het water naar de lichtoranje zon die over een uurtje alleen via haar stralen nog zichtbaar zal zijn, en stapt door het mulle zand.

Het is een warme dag geweest, er zijn nog steeds mensen die wat lezen, pootje baden of met vrienden afsluiten met een fles rosé, maar hij hoeft niet meer slalommend tussen de badhanddoeken en parasollen zijn route te lopen.

Daar is zijn eerste vondst, een fluorescerend geel pingpongballetje. Hij raapt het op en het verdwijnt in zijn rode Freitag-tas. Nog geen tien meter verder ligt er iets te schitteren, het blijkt een fietssleuteltje, met een Betty Boophanger eraan. Daar was vanmiddag iemand erg ongelukkig, zij vindt zo’n kleinigheid nooit meer terug. Hij stopt de sleutel bij het balletje.

Zo gaat het verder: binnen een half uur vindt hij ook nog: een plastic wieltje van een speelgoedauto, een simkaart, een pakje Poolse sigaretten, met nog één er in, de helft van een nog te harde mango met één hap er uit, een wit kindersokje, een verpakking van halalworstjes, een armbandje met houten kralen en een breezerflesje en een door het zeewater grijsgrauw geworden wuppie, zonder oranje staart en blauwe voetjes.

De man is tevreden met deze opbrengst. Straks thuis zal hij het allemaal uitstallen op zijn plankje van 2006.

Als hij langs de vloedlijn terugloopt, - het water komt op - ziet hij nog een geel plastic emmertje, omgekeerd op een kasteel van zand. De burcht heeft vier torens, op elke hoek één, die verbonden zijn door muren. Binnen de muren is de cour geplaveid met in mozaïek gelegde schelpen. De muur gericht naar de zee heeft een poort. Rondom de muur is een geul gegraven, met een uitloop naar zee.

De man glimlacht en laat het emmertje waar het is.

Sommige dingen veranderen nooit.

27 mei 2006

Haar lichtheid van bestaan

In de keuken de lichte groenoranje geur van de sappige meloen
Uit de radio getokkelde variatienoten van gouden bergen

"Jozef, ik ga een pakje sigaretten halen, "
bij haar een glimlach, bij hem even een frons,
die daarna weer snel ontplooit tot glad vel,
'Zij bedoelt natuurlijk dat ze zo weer,
van haar boodschap op de hoek, terug is'

Op de gang ruikt ze jonge violen.
Ze stuitert de trap af.
Wat is er leuker dan bloemen te gaan kopen?

Boven de straat het geritsel van sierkersblaadjes.
Ze hinkelt de met stoepkrijt aangegeven kruisen.
Oranje vlaggetjes ratelen zacht in de wind,
Haar lippen verzinnen fluitend door op het thema van Johan Sebastiaan
in fuga met de merels, hoog op de daken.

Linksom, rechtsom, linksom en weer rechts.
Haar benen trekken korte sprintjes,
Haar voeten wisselen het met huppeltjes af.
Over een zebrapad van glimmende klinkers,
Alleen de witte banen worden aangeraakt.

Slalommend om de racegroene reigerpaaltjes,
Ritmisch in een korte galop,
Haar armen bij elke vierde tel, terzijde omhoog.
Een haar kruisend gearmd echtpaar beziet haar met een lach,
"Ga je vliegen?"

Het stalletje met gestreepte markiezen heeft
Akeleien en Lupinen
Ranke slippen en volle trossige aren.
Met haar armen vol sierlijk rozerood huppelt ze terug,

Linksom, rechtsom, linksom en weer rechts.
Onder kastanjes vol ivoren kaarsjes door
En over slierten gekrulde schaapjeswol.

Ze schikt vijf vazen vol
Voor elke zichtas één.
De kamer een tuin,
Één bloemenzee.


21 mei 2006

Affiche

Henry Toulouse, trekt onze aandacht
omdat hij zelf snel schetste, wat híj scherp zag:

Verhoudingen tussen les dames de plaisîr
en de corpulente heren met uitgezakte gezichten in pak,
die niet zonder hen konden.
Ironie en de dagelijkse rauwe routine
achter en tussen de gl-amoureuze dans.

Diagonalen, Japanse vlakken
Zwierige letters en silhouetten
La vie de la moulin de la Galette
In knallende kleurpaletten

Weer thuis neemt Jozef een glaasje groene Chartreuselikeur, bij wijze van absint.
En dommelt weg op de bank.

Hij droomt van een ruimte met vrolijke mensen, verlicht door bolle lampen.
Rode en roze stroken stof dwarrelen in golven door de zaal.
Er is een schimmenspel, maar zonder scherm,
een geel deurraampje, versierd met gezichten en gesticulerende armen,
schaduwen van kunstig papierknipwerk.

Hij groet met zijn flamboyante hoed een struise dame
en zwaait met zijn wandelstok langs de wijde zwarte cape.
Iemand stoot stuntelig tegen zijn hoofd.
Mijn hand die hem wekt.

Hij spert fluks zijn ogen open en vraagt, schattig verdwaasd, waar hij is.
"In je eigen huis, lief, maar waar wás jij?
Kom mijn man, we gaan te bed, kun je daar verder dromen..."

9 mei 2006

De koffer van tante Connie

Tante Connie was handelsreizigster. Ze was geen ster in het scheiden van privé en werk, ze nam de koffer óók altijd mee naar verjaardagen. De familie wist dat, maar ze konden er niet onderuit om haar ook uit te nodigen; bovendien was ze verder niet kwaad.
De familie wist ook dat van hen verwacht werd dat ze dan een kledingstuk van haar zouden kopen. Als familie steunde je elkaar toch waar je kon?
Zo zorgde bijna iedereen, thuis al moppperend, dat er juist een hemd aan vervanging toe was en kocht, op het feestje, van tante Connie met gepaste vreugde een nuttig kledingstuk.

Heel anders was dat met oom Ruud en zijn vriend Charles. Zij verheugden zich altijd op het moment dat, als de visite een paar slokjes van de borrel en advocaat op had, tante Connie de koffer met schotse ruit openritste.

Tante Connie kende haar publiek en had voor ieder de juiste maat bij zich. De degelijkheid van het ondergoed en bloesjes werd door de zussen getest en met gepast geld betaald. Alleen tante Miep ging zich nog wel eens te buiten aan een wat frivoler hemdje met ruches.

Ruud en Charles zaten rustig te wachten tot de zussen hun gading binnen hadden. Daarna namen zij de tijd en zochten met zorg een passende aanvulling voor hun toch al uitgebreide garderobe. Werd het de zacht lichtblauwe blouse in een fijne snit, of de markantere witte linnen met korte mouw? Ze lieten alle mooie kledingstukken door hun handen gaan, als altijd een feest. Deze keer kwam Ruud uit op een modieus hemd van popeline, Charles had een iets chiquere smaak en koos en klassiek shirt, met een eenvoudige lijn, van zeer fijne zijde.

Zichtbaar in hun nopjes, vouwden zij hun aanwinst zorgvuldig op en gaven tante Connie met gulle hand ruim het haar verschuldigde bedrag. Spoedig daarna verlieten zij de verjaarspartij, op charmante wijze de gastvrouw bedankend en zich excuserend voor hun vroegtijdige aftocht.
De familie, bekend met dit ritueel, keek elkaar dan aan met een veelbetekenende blik, zo van: daar gáán ze weer.

De heren spoedden zich ieder naar de eigen woning, fristen zich daar op, besprenkelden zich met odeur en trokken hun nieuwe verschoning aan. Verlieten voor de tweede maal die dag hun appartement en ontmoetten elkaar bij 'Chez René', tegenover de paleistuin.
Daar stond achterin voor hen al hun tafeltje gedekt, met servetten in een zilveren servetring. "Als altijd?" vroeg de kelner, een roze champagne gereed houdend. "Als altijd", bevestigde Charles. Het sprankelende vocht werd ingeschonken.

"Op de jarige, Ruud!"
"Op de jarige, Charles"

"En op het nieuwe hemd, vriend"
"En op de koffer van Connie, Santé!"